Bob Evers B18

Ongeveer tezelfdertijd waren Jan en Arie, eveneens in een taxi, met hun eigen opgespoorde bagage op weg naar het „Queens Park” hotel.
„Die slagzin van de KLM spookt me door mijn hoofd”, ver- klaarde Arie, schuin door een open portierraam omhoog loerend naar een zilverkleurig Amerikaans vliegtuig, dat blijkbaar kort tevoren van een vliegveld was opgestegen, op weg naar een der andere eilanden in de Caraibische Zee, of naar de United States zelf.
„Welke slagzin?” bromde Jan, die vermoedelijk aan de taximeter zat te denken.
„Vliegen is goedkoper dan u denkt”, antwoordde Arie. „Er zitten enorme mogelijkheden in die slagzin.”
„Vliegen is helemáál niet zo goedkoop!” verklaarde Jan. „Die bananenboot was een hoop goedkoper.”
Arie barstte in lachen uit:
„Jammer dat jij niet geboren bent als zoon van Adriaan Goedkoop. Dan was je waarschijnlijk helemáál gelukkig geweest.”
Jan antwoordde koppig:
„Het is helemaal geen kunst om geld te verdienen. De kunst is om het vast te houden.”
„Geld vasthouden is moeilijker dan u denkt,” zei Arie spottend.
„Dat is het zeker!” antwoordde Jan heftig.
Arie keek spottend naar buiten, waar een neger gebogen op een wagen zat die voort werd getrokken door twee Trinidadse ossen.
„Zuinig zijn is vervelender dan u denkt.”
Jan Prins werd altijd kregelig als hij bij het been werd genomen over zijn zuinig geldbeheer.
„Sproeten hebben staat lelijker dan jij denkt.”
Arie barstte weer in luid gelach los:
„Sproeten krijgen is lastiger dan jij denkt. . . . Ho - hier is ons hotel. Betaal jij de taxi maar. Ik dros intussen naar binnen, want jij geeft altijd zulke kleine fooien, dat ik ga blozen als ik er bij sta.”